
Voor een verantwoord beheer van de diercollecties is het belangrijk om internationaal samen te werken. De vijftien leden van de NVD kunnen nu eenmaal niet alle dieren houden in de aantallen die nodig zijn voor een succesvol fokprogramma; hoe goed bepaalde NVD dierentuinen ook fokken met bijvoorbeeld Aziatische olifanten, de NVD kan geen plek bieden aan tweehonderd tot tweehondervijftig olifanten.
Samenwerking met andere dierentuinen die dezelfde doelen nastreven is dus noodzakelijk. Dat is één van de redenen waarom alle dierentuinen die lid zijn van de NVD tevens lid zijn van de Europese dierentuinorganisatie EAZA (European Association of Zoos and Aquaria). www.eaza.net
De leden van de NVD willen dat elke diersoort en ieder dier zich in hun collecties bevindt met een duidelijk doel. Om bijvoorbeeld een educatief verhaal te kunnen vertellen, of om een bijdrage te leveren aan het behoud van de soort middels een fokprogramma. Iedere dierentuin heeft een collectieplan waarin precies staat welke diersoorten de tuin wil houden, en waarom. Natuurlijk wordt bij het maken van die plannen ook goed gekeken naar wat de andere dierentuinen willen gaan doen. Het heeft immers weinig zin om als enige dierentuin neushoornleguanen te gaan houden: er moeten andere dierentuinen in Nederland en/of Europa zijn die dat ook willen, zodat je gezamenlijk een populatie kunt houden die groot genoeg is om zichzelf in stand te houden.
Ook op Europees niveau wordt gewerkt aan regionale collectieplannen. Deze plannen worden opgesteld door groepen van deskundigen uit de dierentuinen die zijn aangesloten bij de EAZA. Zo'n groep deskundigen heet een Taxon Advisory Group (TAG). Voor elke diergroep is er een eigen TAG, bijvoorbeeld voor insecten, voor papegaaien, voor wilde hondachtigen en voor antilopen. Elke TAG bestudeert welke diersoorten het beste in de Europese tuinen gehouden kunnen worden. Bij het maken van hun plannen worden heel veel zaken bekeken die een rol spelen. Wat zeggen de deskundigen bijvoorbeeld over de populaties in het wild, en kunnen dierentuinen een rol spelen bij instandhouding (of zelfs herintroductie) van de soort? En hoeveel ervaring hebben dierentuinen in het houden en fokken van de soort; is er een interessant verhaal over te vertellen? Als deze gegevens voor alle soorten waarover een TAG moet beslissen bekend zijn, dan moeten er keuzes worden gemaakt. Sommige soorten moeten misschien op termijn wel uit de Europese dierentuinen verdwijnen om plaats te maken voor andere, en voor de ene soort moet een heel strikt fokprogramma komen, terwijl het voor een andere voldoende kan zijn om in de gaten te houden hoe het met de dierentuinpopulatie gaat. Het is geen gemakkelijke opgave, maar wel van wezenlijk belang voor dierentuinen die optimaal van de mogelijkheden gebruik willen maken, om een zo groot mogelijke bijdrage te leveren aan educatie en natuurbescherming.
Het grootste deel van de dieren die je in NVD dierentuinen tegenkomt, zijn in diezelfde dierentuin geboren. Daarnaast spelen de collega-dierentuinen van NVD en EAZA een belangrijke rol bij het uitwisselen van dieren. Een dier dat in de ene dierentuin overcompleet is, is vaak juist erg welkom in een andere. Om precies te weten wat alle leden van de EAZA aan dieren over hebben en waar ze naar op zoek zijn, is er een grote elektronische database opgezet. Met behulp van deze database kunnen de aangesloten dierentuinen hun dieren aan collega's aanbieden of op zoek gaan naar geschikte dieren.
Voor dieren in een internationaal fokprogramma speelt de coördinator een rol als huwelijksmakelaar: hij of zij bekijkt naar welke dierentuin een dier het best kan verhuizen. Daarbij wordt er natuurlijk op gelet dat dieren niet aan elkaar verwant zijn en dat ze qua leeftijd goed bij elkaar passen.
De leden van de NVD hebben met elkaar afgesproken dat bedreigde diersoorten in dierentuinen geen financiële waarde hebben. De NVD dierentuinen vinden dat zij niet kunnen bepalen hoeveel geld een dier waard is. Voor hen ligt de waarde van de dieren in het feit dat ze helpen om bezoekers een educatief verhaal te vertellen, en om gezonde populaties van hun soort in stand te houden in een internationaal fokprogramma. Hoe zou je moeten bepalen hoeveel euro een goed verhaal waard is? Hoe druk je in geld de waarde uit van een diersoort die voor uitsterven wordt behoed? Daarom schenken of lenen de NVD dierentuinen hun dieren altijd gratis aan hun collega's.
De NVD dierentuinen spelen een zeer prominente rol als het gaat om het beheren van dierpopulaties in de Europese dierentuinen. Hoewel de twaalf NVD dierentuinen slechts 4% van de in totaal 289 EAZA leden uitmaken, wordt niet minder dan 29% van de Taxon Advisory Groups (TAG) door een medewerker van een NVD tuin voorgezeten. Van de in totaal 142 European Endangered species Programmes (EEP) worden er 19 (13%) vanuit Nederland gecoördineerd, en dit geldt voor 12% van de European StudBooks (ESB).
Aantal NVD coordinatoren van TAG's en fokprogramma's
| Totaal in EAZA | Waarvan geleid door een NVD medewerker | |
| TAG's | 39 | 9 |
| EEP's | 142 | 19 |
| ESB's | 116 | 14 |
In de NVD tuinen worden maar liefst 224 diersoorten gehouden die worden ingezet in een EEP of ESB. Dit betekent dat van de in totaal 319 soorten zoogdieren in de NVD tuinen 42.0% wordt beheerd middels een internationaal fokprogramma. Voor vogels ligt dit percentage op 13.1%, de reptielen zitten daar weer onder met 5.9%.
Aantal dieren in de NVD dierentuinen dat wordt ingezet in een fokprogramma
| EEP | Soorten | Individuen |
| Zoogdieren | 84 | 970 |
| Vogels | 26 | 727 |
| Reptielen | 6 | 25 |
| Sub-totaal EEP | 116 soorten | 1722 dieren |
| ESB | Soorten | Individuen |
| Zoogdieren | 50 | 492 |
| Vogels | 52 | 300 |
| Reptielen | 6 | 61 |
| Sub-totaal ESB | 108 soorten | 853 dieren |
| Totaal in fokprogramma's | 224 soorten | 2575 dieren |
Door een goede samenwerking met collega-dierentuinen in binnen- en buitenland is het voor de NVD leden mogelijk om goed te weten in hoeverre eventueel geboren te worden jongen - die op termijn niet in de eigen collectie kunnen blijven - naar een goede andere dierentuin kunnen verhuizen. Als blijkt dat het heel erg moeilijk zal worden om dieren aan andere dierentuin over te dragen, zijn er allerlei methoden voorhanden om te voorkomen dat dieren worden geboren. Dit kan bijvoorbeeld door middel van 'de pil', het gescheiden houden van mannetjes en vrouwtjes tijdens de voortplantingsperiode, etc. Het volledig voorkomen van 'surplus' is niet mogelijk. Zo kan je bijvoorbeeld niet het geslacht van de jongen van tevoren bepalen, en bij veel soorten dieren, vooral die in haremgroepen leven, is er nu eenmaal meer behoefte aan vrouwtjes dan aan mannetjes. In een uiterst geval, wanneer geen goede huisvesting elders kan worden gegarandeerd, prefereren NVD dierentuinen euthanasie boven een oplossing die voor het dier wel eens slecht zou kunnen uitpakken. In alle gevallen wordt het welzijn van het dier als uitgangspunt genomen voor het nemen van een beslissing. De NVD Ethische Code en de NVD Code Diertransacties zijn belangrijke leidraden om een zo goed mogelijke beslissing te nemen.
Het is heel erg lastig om de kwaliteit van een dierverblijf te beoordelen. Zeker is dat de hoeveelheid ruimte die een dier ter beschikking staat eigenlijk helemaal niet zo'n goede maatstaf is om te bepalen of een verblijf voldoet voor de er in gehouden diersoort. Veel belangrijker dan de kwantiteit is de kwaliteit van de geboden ruimte. Een voorbeeld (erg overdreven, maar toch): de kwaliteit van leven van een alleen gehouden chimpansee in een verblijf van 500 m² met een betonnen vloer, zonder bomen of andere materialen om in te klimmen en zonder soortgenoten, is waarschijnlijk vele malen minder dan dat van een groep chimps van tien dieren die leven in een kleiner verblijf, met bomen, struiken, een waterpartij en mogelijkheden tot het bouwen van nesten.
De NVD dierentuinen besteden veel aandacht aan het bieden van een verblijf dat de dieren de mogelijkheid biedt om hun natuurlijke gedragspatronen zoveel mogelijk volledig uit te voeren. Dus, een dier dat sociaal leeft ook in een groep houden; dieren die veel klimmen in hun verblijf geschikte klimmaterialen bieden; dieren die het lekker vinden om in een modderpoel te liggen ook zo'n modderpoel in hun verblijf geven, enz.
Het Dierentuinenbesluit uit 2002, de belangrijkste wetgeving in Nederland betreffende dierentuinen, praat ook uitsluitend in kwalitatieve zin over de eisen die aan een goed dierverblijf moeten worden gesteld. Zo moet bij de inrichting van een verblijf rekening worden gehouden met "het soorteigen bewegingsgedrag, door het verblijf te voorzien van zoveel mogelijk elementen lijkend op de natuurlijke leefomgeving".
In algemene zin is de trend in de NVD dierentuinen om het aantal diersoorten in de collecties te verkleinen, en de daarmee vrijkomende ruimte te besteden om de overblijvende (in het collectieplan geselecteerde soorten) meer ruimte te bieden en in grotere (natuurlijker) sociale groepen te huisvesten. In tegenstelling tot bijvoorbeeld dertig jaar geleden worden ook veel vaker verschillende diersoorten, die in het wild ook in dezelfde omgeving voorkomen, samen gehuisvest. Hierdoor krijgen de dieren niet alleen meer ruimte tot hun beschikking, maar bestaat ook de mogelijkheid tot interactie met de andere soorten. Dit is behalve afwisselender voor de dieren zelf natuurlijk ook interessant voor de bezoekers om te kunnen observeren. Uiteraard wordt er goed op gelet dat alleen die diersoorten die elkaar niet 'naar het leven staan' samen worden gehuisvest. Leeuwen en zebra's in hetzelfde verblijf is misschien wel een heel natuurlijke combinatie, maar ……
Veel aandacht wordt ook besteed aan wat 'gedragsverrijking' of 'omgevingsverrijking' wordt genoemd. Vaak wordt dit gedaan door middel van het aanbieden van voedsel op een manier die er voor zorgt dat de dieren meer tijd moeten besteden en moeite moeten doen om aan hun eten te komen. Bijvoorbeeld door voor de apen handen met graankorrels in het gras van hun verblijf te strooien zodat ze uren bezig zijn (net als in het wild!) met voedsel zoeken.
Dierentuinen wisselen zeer intensief ervaringen en informatie uit. Dat is ook één van de belangrijkste doelstellingen van organisaties als de NVD en EAZA. Op Europees niveau worden binnen EAZA zogenoemde 'husbandry guidelines' (richtlijnen voor huisvesting en verzorging) voor allerlei dieren opgesteld. In deze richtlijnen wordt zoveel mogelijk alle ervaring die dierentuinen hebben opgedaan met een bepaalde diersoort samengevoegd en aan alle dierentuinen ter beschikking gesteld. Hierin worden bijvoorbeeld de geschiktheid van verschillende soorten verblijven (binnen of buiten, wat voor soort gaas of hekwerk, wat voor afmetingen), maar ook over voeding, veterinaire zorg, speciale maatregelen voor zwangere dieren, met welke andere diersoorten ze samen gehouden kunnen worden, enz., enz. besproken.
Ook organiseren zowel de NVD als EAZA zeer regelmatig bijeenkomsten voor dierentuinmedewerkers waar informatie wordt uitgewisseld over de huisvesting en verzorging van de gehouden diersoorten.
In de NVD dierentuinen wordt ook nogal eens onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld het gedrag en de voeding van de dieren. Vaak levert dergelijk onderzoek nuttige informatie op over hoe de dieren het verblijf gebruiken, hoe ze met elkaar omgaan en dergelijke. Deze informatie wordt dan weer ingezet om zo mogelijk de huisvesting en verzorging aan te passen en te verbeteren.
Nederlandse Vereniging van Dierentuinen . Postbus 15458 . 1001 ML Amsterdam . T 020 - 524 60 80